Annemarie (18 jaar) is niet voor één gat te vangen. Ze werkt als vrijwilliger met kinderen met een handicap. Ze bokst. Ze ontwerpt haar eigen kleding en naait in een oogwenk een bliksemschicht op haar broek. Ze schrijft haar emoties neer in schriftjes vol poëzie, of ze tekent hoe ze zich voelt. Maar zal iemand ooit helemaal begrijpen hoe ze in elkaar zit? Ze wil later met jongeren werken die al van jongs af aan geen gezin hebben. Jongeren die al heel vroeg zelf de zorg moesten opnemen voor hun broers en zussen, of zelfs voor hun ouders.

Babs is sterk in improvisatie. Op speelse wijze laat ze haar nieuwsgierigheid de vrije loop. Dat moet ook, want ze werkt als dramatherapeute. Daar zet ze haar creativiteit en haar luisterbereidheid op therapeutische manier in. Ze staat ook op de planken in terugspeeltheater, en ook daar komen haar improvisatietalent en haar gulle openheid goed van pas.

Annemarie en Babs gaan samen op zoek naar alternatieven. Naar het antwoord op “wat als?” Wat als de politie anders had gereageerd toen je op je elfde hulp zocht? Wat als je ouders wel tijd voor je gemaakt hadden? Kan je je verleden weggommen en daarna opnieuw en anders invullen?